|
In de wilde zwarte bossen woont de wim-wam-reus met de wim-wam oren en de wim-wam neus. 's Avonds loopt hij daar te darren in de maneschijn en als hier de kleine kindertjes ondeugend zijn, kan die reus dat altijd horen met zijn wim-wam oren, en als jij niet naar je bedje wilt, 't is heus, heus, heus kan die reus dat altijd ruiken met zijn wim-wam neus. En dan komt hij naar benden op zijn wim-wam paard met de wim-wam poten en de wim -wam staart, Dwars door alle wilde bossen in galop lop lop over honderduizend heuveltjes van hop hop hop springt over alle sloten met zijn wim-wam poten springt over alle sloten met een griezelige vaart en maar zwaaien en maar zwaaien met zijn wim-wam straat! Pas maar op, pas maar op, voor de wim-wam reus met de wim-wam oren en de wim-wam neus, want als jij niet naar je bedje wil en jij bent stout geeft die reus je op je bibs met een lang eind hout! en geneens gewoon hout nee, nee! Wim-wam hout! |